Proza uit Wijs licht

 

Dichtsels en poetica

 

15-11-2008

 

Bastiaan Oostendorp

 

 


 

 

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 2

Gedichten voor dichtwedstrijd

Een Blijdicht over de genezing.

Een zorgdicht, over hulp en medicatie,

Gedicht over Lagen

Religieus gedicht

Een gedicht over Leven in Overvloed

Een Blijdicht over Eenheid, in Eenzaam

Verwachten van God's  Grote Rijk.

Een dichtsel, Gedicht in Dichtend Woud,

Een Zang over Liefdevol beminnen

Een Dicht, In Verlicht, Belicht Wezen.

Een VoorSpel op EeuwigHeid

Een HekelDicht op Haten en Wrokken

Een Vrijdicht over Bevrijdend Leven

Een  Zorgdicht over de Hulpverlening.

Een Treurdicht over het Leed,

Een Dicht over Leed, en Pijn, Oprecht geleden

Een dichtsel   tot aan de schijnbare grens

 

 


Gedichten voor dichtwedstrijd  in de Zorg. 23-9-2008

3 thema's  : zorg & vrijheid, borg & bestuur,  geld & zekerheid.

Elke pagina 1 gedicht.

 

 

 

Zorg & vrijheid.

Waar   zorg in vrijheid   ontaart,

Geld  zich druk maakt om liefde

Vrede aanstelt tot zorg, Macht

zich buigt voor zorg Zodat

vrijheid   voor de Zorgeloze nut

openbaart. Gekregen vrijheid

is

Mooier  dan gedachteloze

Dwang.

Bezeten zorg, is slechter dan gegeven   zorg.

Een gedachte  aan zorg,  is een vrijheid aan jezelf.

Een mooiere vrijheid is er niet dan

Vrijheid   van zijn

En dat ik een Hart van zorg.

 

Borg & Bestuur. Geborgen

ben ik bij de Maker, De

bestuurder van het land,

Buigt  voor zelfs de nederigste klant,

Als blijkt dat de klant,

Een met de maker,

Blijk  geeft van een druppel

Wijsheid en leed,

Die onvermoed bogen

Op een  geschiedenis   van bestuurlijk  onvermogen,

En bestuur, in eenvoud,

Zich  boogt op de eerste gedachte,

De gedachte aan borg,   voor jezelf,

Maar  ook voor anderen.

Dus bestuur in borg,

Is de hoogste borger aanvaarden.

En de borg besturen volgens wetten die de zorg aanvaarden.

Geen  vrijheid is nog onbeklonken, als

Borg en Bestuur  zich verlaten

Op een grond. Des

harten's Bond.

 

 

Geld & Zekerheid.

Goud en Zilver,

Een munt is te weinig, Twee te veel.

Drie net genoeg, en Vier overmoedig.

Waar Een al schaars aanvoelt, immers

Vele goederen worden betaalt uit een portomonnee.

Twee  portomonnees al luxuees en patserig is.

Drie gedachten  aan je eigen genoegen al genoeg  is om

Je handelen op te baseren, en vier giften aan armen   al snel

Overmoedig aanvoelt. Dan is

geld een  goed dat ook Zijn

plek aanvoelt als heer van Het

ruilbestel.

Geen  mens  weigert een klinkende munt, als

De last van het verloren  goed, terugdringt in

De levenssfeer. De zekerheid te bestaan,

En  te blijven  bestaan is een

Duur  gezocht goed.

Waar een  genoeg is, Twee overdadig,

Drie  voldoende, en Vier blijmoed.

Dus waar het duurst gezocht goed,

Blijft gezocht worden. En  niet laat

Tegenstaan dat mensen ook

Een verkeerde vondst,

Niet nalaten te geven aan

Anderen die dat wel  zochten.

Dan Zien we dat ook Een

Vol overvloed is en nooit tekortkomt. Het

ruilbestel  is een  daad van God. En geeft

De waarde  aan van het nederigste in de wereld.  Dus

de duurste dingen, vaak voor geen  geld te koop.

Kosten geen geld, en komen toch tekort.

Immers God geeft zijn gaven om niet, en

Doet ze niet in de uitverkoop.

Maar de zekerheid is,

Goud is voor geen  geld te koop.

Want Goud is de zekerheid als de  hartelijkheid

Om geld te geven, zichtbaar wordt bij God.

 

 

 

 

 

 

 

 

Een Blijdicht over de genezing.

 

Een dichtsel ontsprong, een kleine kiem,

Lag in het duister.  Te wachten tot een druppel goud.

Haar deed ontvlammen, om  ook het

Levenslicht  te willen zien.

Het duister, een land vol met

Gefluister over eigen leed, en

Schande gedragen  en ook met

Anderen beleefd.  Schaamte dragend

Over zonden  nooit beleefd.

Angst in aandacht bevragend,

Maar  nooit een antwoord.

Zelfs  geen zekerheid  over de

Oorsprong van haar geest.

Een enkel doodsbericht deed

Het lichtje flakkeren, maar gaf

De hoop, ooit, ooit, ben ik een

Engel, want ik mag beginnen.

Om mij zichtbaar te maken als

Een aardig iemand, als een  jongen

Kwetsbaar en snel geschaad.

Zonder  zelfvertrouwen toch

Groeiend. Geen leed dat ooit

Ontweken kon worden.

Zachtmoedig, het eerste compliment.

Een beetje gek, maar wel aardig. Het

tweede aan het firmanent. Medicijnen,

je kan ze beter verdragen Als eerloos

aan de hulpverlener vragen,

Wens je me dood, of zit je me te belagen.

Elk medicijn, is bitter,

Maar bitter is soms  goed, en niet te kwaad.

Het  doet je weten, ook al ben ik gek,

Ook al slik ik medicijn.

Voor anderen wil ik een  zegen zijn.

Voortdurend strevend naar het aardigste  om te zeggen,

Het lijdzaamste om te volgen,

Het minste geacht om  te verbeteren.

Toch eigen leed, zoekt warmte.

Eigen eer zoekt succes.

Maar in besef,  een is mij  voor gegaan,

Velen voor mij gevolgd.

Ik mag volgen en ook mijn best doen

Om te volgen. Niet wat ik hoor,

Maar  wat ik begrijp van dat geloof.

Of wat ik aanvoel hoe heilig en zuiver ze

Zich bezighielden met lijden en zorgen.

Van anderen.

Ook mijn  eigen leed,  was lang

Niet mijn eigen beeld.

Ook mijn eigen zorg, was een wens

Die ik deed sterven. Want je eigen

Lichaam, ach een  snoepje,

Een kopje koffie, af en toe

Moet je ook jezelf  een Zoetigheidje

geven om weer verder Te gaan. Nee

ik leefde op de hoop Dat God mijn

liefde aan zou nemen. Of dat vanuit

wederkerigheid het Ooit een oogst

zou worden  die  Hopelijk

honderdvoudig,

In de aarde wortelde.

Het leed, dat lange tijd bleef.

Na een aantal jaren, groeit

Mijn  gevoel om God

Tot zijn te naderen.

Niet door Kruisdood of wonde met bloedige blaren.

Maar door een gave, een schenking van

Eigen wezen, aan zijn Scheppersbron.

De bron van mijn ziel, De bron van

Mijn zichtbare werkelijkheid,

Zelfs  de bron van wat daarbovenuitstijgt.

Want immers,  een overgave aan een naam,

Een vinger  wijzen   naar wie je bedoelt,

Is geen schanddaad, Het is erger om jezelf

De dood in te jagen,  dan God de intentie te tonen

Dat je voor hem kiest. Want ook naastenliefde,

Betekent  niet dat je anderen in smart achterlaat,

Na een onbevredigend heengaan.

Het  dienen  van God, in leven  dat was  mijn grootste wens.

Want God wil leven voortbrengen, en iedereen liefde geven.

En die liefde wilde ik zelf ook geven, om haar ook te

Mogen ontvangen.

De liefde die alleen zoet is als je haar ten volle

Beleefd,   hier nu, en ook op dit moment.

En zo mag je eigenlijk iedereen dankbaar zijn, die

Je tot de Schepper heeft geleidt. Want iedere smet,

Iedere  hoogmoed komt tot stilte,

In de last die je zelf draagt, en ook ieder  mens

Legt een puzzelstukje van je eigenheid weer op je

Plek die een Raad verschaft, of laat weten,

Nee zo ben je niet, je kan nog leren, zie maar,

Hij doet het op dat punt beter, of zij vind dat je

Slechte gevoelens bij anderen oproept.

Toch, al te vaak, blijven mensen zwijgen.

Roept  het onzekerheid  op, zijn ze eerlijk en oprecht,

Ook complimenten, zijn ze echt waar,  Waarom voel

ik me nog zo naar.

Maar elke nood, elke last was  een vraag naar God,

Dit leg ik bij u, U mag het dragen.

Ik lijd, maar u geeft de zin en betekenis.

U geeft mij de weg tot vrede.

Want u als Goedheid, weet ook,

Al voel ik mij slecht en onbeholpen,

De juiste weg.  Tot eerbied   en ontzag,

Voor ieder wezen, ieder mens, dat leeft op

Aarde. Want iedereen zingt zijn lied,

Het levenslied van Zon, Maan, Aarde.

En van zichzelf.

 

Een zorgdicht, over hulp en medicatie, gegeven in

dagelijkse huizige kringen.Een dicht over eten, drinken

en wonen in een kliniek zonder zorgen.

 

Waar mijn dag, opnieuw begint. Vanuit een vreemd gevoel.

Thuis  is niet langer mijn huis.

Zij staat nu, op gemeenschapsgrond, voor een  tijd onbekend,

en onkundig van het doel.

Dat huis waar ik nu woon,  is een  groter huis,

dan voor mij alleen.

Dat huis is een huis voor mensen met gebrek aan aandacht, aan betrokkenheid,

aan liefde en respect.

Dat huis, daar wonen  de  gekken, die eenmaal gediagnosticeerd, op rantsoen gezet,

de tijd mogen slijten. Met gesprekken,  en therapie, om in leven het leven te vermijden.

In  dat Huis, wonen zonderlingen, blijkbaar zonder verstand van moderne tijden. In

dat Huis  wonen de vreemdelingen, niet uit verre  lande, maar uit verre  oorden.

In  dat Huis  wonen de mensen die niet meer zo maar  binnen   mogen komen, bij vrienden en bekenden.

In  dat Huis  wonen de mensen die niet meer het brood zelf mogen kopen met geld  dat ze zijn gaan

zoeken  in de werken   van hun handen.

In  dat Huis  wonen de mensen,  die van geld leven, en de schuld geven, dat ze hun waarde,  en respect,

van andere  mensen lenen.

In  dat Huis, daar woont een Vader, op elke stoel, mag hij zitten,

Op elke bed, mag hij slapen.

Toch die Vader, is nergens meer thuis, want niemand blijft serieus vragen,

Mag ik mijn eer en gezondheid van u en mijn leven weer heel maken.

Toch die Vader, is er altijd te gast, want zijn naam  wordt nog steeds  onder iedere

klacht genoemd.

Toch die Vader is er altijd de gulle gever, want ook de maaltijd, en de warmte en de sigaret zijn

van wege   zijn genade  nog steeds door mensen bewezen.

Waar  is nu mijn eer, om een bede te vragen, Waar is nu mijn eer, als ik voel,  er is niets  meer,

om voor te leven. Waar is nu mijn eer, om dan te ontwaken, en te zien. Als er pijn,  is, leed en onverstand.

Als mijn weg te mooi en prachtig is in vele dromen, maar zanderig met  stenen op Aarde,

Mag ik dan niet  zorgen  dat het pad  op Aarde, een  dauw krijgt van genade. Van mijn aanwezigheid.

Van mijn zicht op  de  tijd die voorbijschiet.

Want die Heilige Vader, is er ook als we kijken, naar de dingen, waar we  voor blijven   bidden.

Want die Heilige Vader, is er ook als we voelen, de pijn die we krijgen, soms zonder eigen  keuze.

Dan mogen we ook zoeken, naar verklaringen, betekenissen en vrede. Want als we  zoeken,

dan zijn we  zichtbaar  voor het oog van God. Om ons zijn genade, hier te schenken,

in het zand van moeder Aarde.

En acht dat Huis, der Gekken en Vreemdelingen. Misschien als we de Heilige Vader uitnodigen

op elke stoel, wordt het een  Feestelijke boel. Niet van Gek en Gestoord,

maar van Edel  en VerEerd.

En dan is het koninkrijk  der Hemelen ook hier op Aarde.

 

Gedicht over Lagen

Een mens, Een laag genoeg.

Als mens een mens teveel,

Een ervaring   in ggzland valt niet  mee,

Toch een parel in een,

Harde  bolster zien,

Is niet een deugd die,

Onvermoed, onverwacht,

Ten  goede komt aan,

De mens, waarde bolster,

Een laag van harde afkeer,

Vreselijke  pijn,  en onvermogen,

Om hulp te zoeken, toch

De moed  vind ondanks alles,

De ander de schuld niet te geven,

Voor eigen leed,

Maar  volgens zeggen en schrijven,

De ander de parel toe te delen, Die

zelf altijd bemint, vaak niet Gekregen,

af en  toe, tegen gekomen, In mooie

winkels en pleinen,

Weer vrucht draagt, niet bij jou

Alleen, maar  ook bij mij.

Zo maken wij  van twee  lagen,

Er slechts een. En dan is ook Ggzland

een  ervaring met een glans, En

altijd een te weinig.

 

Lagen, verzamelen zich in de geschiedenis,

Des te langer we  leven,

Des te meer jaarringen we  krijgen,

Elk jaarring, een laag, een die ons,

Afscheidt  van ons diepste   bron,

Een bron die  ons altijd draagt,

Waar wij pijn ervaren, en leed

Vermijden, daar is onze bron

De gulle gever van onze uitweg.

Waar  wij  lagen zien, is onze bron,

Slechts een  stap verder  dan ons eerste

En prilste begin. Hoe nu onze lagen,

Onze gedachten, onze plannen, onze

Demonen en engelen, die we niet bij ons maar in

ons dragen. Te vereendrachtigen tot een zuivere ziel,

Een wens van velen, en bemind door weinigen.

Die Vanuit de donkerste duister de diepte overstaken.

Vanuit vreemde   oorden, vanuit verre velden, vanuit

Hoge sterren, klommen er mensen op om dat te vinden

De ster, onze ziel die als helderste   straalt, zonder hulp van

Demonen, engelen   of welke   bron van tijdelijke aard.

En dat vanuit een hart dat slechts een  ding wil,

Geen lagen, geen Leed, geen Gedachte, geen GGZLeed.

Op weg  naar Eenheid en Herstel, doe ik slechts

Dat wat mij vanzelf toekomt, en anders niet.

De enige smaak die ik heb, Ben ik zelf. Een

smaak, zonder woede, zonder geweld,   Zonder

toegebracht leed, verdragende de leed Van

anderen en gevende de hulp en liefde,

Het kleine beetje dat ik in mijn leven heb gespaard,

Aan eenieder die iets minder heeft  als mij.

Zo groeit het tot een waterval,   voor iedereen die

Een beetje nodig heeft.

 

Religieus gedicht

God gegeven,

Tot eer en prijs,

Van nieuw leven

En de hoogste zeden.

 

Wanneer de Zon opkomt,

Als haar straal de  horizon verblijdt.

Als zij haar glans van de  maan  leent,

En haar doet verbleken.

Als zij de vogels laat zingen, nog voor

De eerste haan zich loutert.

Als een milde dauw uit de aarde opstijgt,

De bladeren der bomen,  en planten,

In vochtigheid bedekken.

Als de Aarde weet krijgt van de dag.

Als de Nevel,  zich spreidt  tot een goede zomer.

Als de ure  nadert  dat mens en dier,

Wakker wordt uit de diepe slaap.

De slaap der ruste, die aandoet als

Een zacht wentelen in het duister.

De kinderen die als eerste wakker worden,

Zoeken   elkaar en fluisteren over de stilte.

De jongelingen, vallen met hun oog op het

Brood, dat nieuw   aan de bomen hangt.

De vrouwen, ontwaken, door de  dorst van

Hun nageslacht. De mannen, warmen zich

In de eerste stralen. De ouden, immer  waakzaam en alert,

Dragen de dagen  op  aan de  Oude.

Een  lied weerklinkt over de grenzen, die de nacht

Aan  de  dag heeft  doorgegeven.

Een zang over de  dag die  eindigde,

Over de bestemming van morgen.

Een melodie, ooit begonnen,

Eindigt waar zij in weerklank  begint.

Een diepe  beweging van samenzijn.

Een zachte spreking   van Natuur en Werkelijkheid.

Een dag, die,  begint in Zekerheid.

De gave van het zijn, is aan de hemel geklommen.

De gave van het doen is over de aarde gegaan.

De gave van het weten  is in de harten gegrond.

De gave van het voelen  is doorgegeven  van hand tot hand.

De gave van diepe gedachtenis is verstrooit door zekere woorden.

Een plicht tot de dag, is aan ieder gegeven, is aan ieder begiftigd.

Heeft  zijn voedsel aan ieder vervuld. Met rijke zegen, Keert

zij weder, tot de avond valt, en  zij voor God  staat om Haar

schatten te schenken. Tot de avond valt, en zij haar Kunde

aan kleinen   leert.

 

 

Tot de avond  valt en  zij  haar zorg aan

de leering der mensen laaft.

Dan is de grond der aarde, in vastigheid gezekerd,

Dan is de Aarde in liefde vervuld.

Dan is de Schepper,  met zijn aanwezigheid op

Aarde wel bemind.

Een beminnen dat ieder   tot zijn naaste,

Dat ieder tot zichzelf,

Dat ieder tot zijn schepper, in ootmoed en deemoed vervuld.

Dan Geeft God zijn gaven, Als een Gave van zaligheid,

Als een gave van verkwikking, en geluk, aan hen

Die nooit dorsten, nooit hongerden, naar eer, naar roem.

Naar kennis  zonder nut, naar wijsheid in hatelijkheden. Dan

geeft God zijn gave, de gave van Wijsheid, en Leering,

Van  Voogding  aan hen  die  zich verloren waanden, of die nooit zochten.

Die niet wisten, die niet beseften, er is een Heere  die ieder ontvangt.

Die  wezen en mens tot zich   keert, door wachting en  liefde.

Dan mogen de mensen zich beroepen op hun liefde  voor God,

En zal er niemand klagen, dan zal er niemand  schertsen over

De wonderlijke daden, over de onzichtbare vrager,  over

De duiding der toeval, en de zuchtende aarde.

Daarom is er een Heere, omdat er naast onze kwalijkheden,

Die wij immer blijven zien, ook de Goede zaak, zichtbaar is op Aarde. Want

God, als Goede Heere,  zet zich neer en vernederd  zich voor ieder mens. Het

is de mens, die kiest, ontvang ik de Heere,  dien ik Hem,

Vraag ik Hem om raad, Zegen  ik in zijn naam mijn bevelen.

Het is die Goede Heere, die onder staat, tot hij Boven wordt geroepen.

Die blijdschap geeft, als zijn raad wordt bevraagd.

Die vreugde geeft, als zijn liefde blijkens  anderen ontspringt.

Die liefde   in harten ontgloort, als zijn aanwezigheid tastbaar wordt.

Het is die Goede Heere, die als ware het zichtbaar, elke woord, elke daad,

Elke oor, van een goede raad befluistert. Onhoorbaar in de wind,

Toch  voor de  hoorder, een  woord die  goud brengt.

Goud in de mond,  en zicht geeft op  geluk  afkomstig  uit de morgenstond.

Waar is die Heere, als ik Hem zoek.

Waar is die Heere,  ik vraag ernaar.

Waar is die Heere, ik verken zijn Wonderbare  daden.

Waar is die Heere, zijn Wijsheid ligt in  mijn mond.

Waar is die Heere, ik voel mij verwant met  deugdzamen.

Waar is die Heere, ik verkrijg zijn Ere.

Waar is die Heere, zonder arbeid, groeit mijn oogst.

Waar is die Heere, zonder inspanning bloeit mijn gaarde.

Waar is die Heere,  met heil  en  zorg stel ik mijn weg aan.

Waar is die Heere, immer ik zoek zijn heil.

Waar is die Heere, hij verblijdt mijn hart.

 

 

Waar is die Heere,  ik schroom niet de

ouden  na te lopen en te bevragen.

Waar is die Heere, ik voedt mijn kind

met lieflijke zangen.

Waar is die Heere,  ik wrocht mijn arbeid, tot zekerheid des gezins.

Waar is die Heere, mijn borg, is U.

Waar is die Heere, zekerheid is een grote dade.

Waar is die Heere, geloof, is aan mij vervuld.

Waar is die Heere, Mijn ziel is van U.

Waar is die Heere,  mijn wezen, mijn lichaam, mijn liefde is U.

Waar is die Heere,  mijn kracht en sterkte is gegrondvest in uw barmhartigheid.

Waar is die Heere,  mijn leed, mijn smart, mijn pijn, schouw ik als boete van U.

Waar is die Heere,  mijn eigen kwaad, mijn eigen zorgen, mijn eigen dood, is een teken,

Van u om te werken, de goede daden, de goede woorden.

Oh Heere Schepper, Oh Heilige Geest, Waar zijn uw woorden, Waar zijn uw Daden.

Onzichtbaar   voor het oog, Onzichtbaar voor het oor. Toch hoorbaar in ieder  woord,

Toch te zien in ieder die handelt. Oh Schepper, Scheppend doet u mij leven.

Heere God, uw koninkrijk is tot uw Eer, en mijn eer is uwe, tot in Eeuwigheid.

 

Een gedicht over Leven in Overvloed,

Leven  in God's gave.

 

Elke dag, een ochtendrood,

Nevelen van dauw die

De Aarde al zingend   bedekken.

Het groene gras dat,

Groeiend, een zucht slaakt,

Op Aards bewoning.

Bloemen, Openen, Om

De zon te beminnen.

Warmte spreidt zich over de velden.

Lucht, danst over de Aarde om

Haar te omhelzen en

De mens haar adem in de mond

Te geven.

Dieren ontwaken en plichten hun

Dag  aan de voeding en de zorg

Van jongen.

Het brood, springt uit de dop en

Wordt  geraapt  door de  jonge

Kinderen. Een vrucht voor

Ochtendspijs en Avondverlangen.

Man en knecht, openen de deuren,

Voor werk  en vertoon van kracht.

De huizen die gebouwd worden,

Klimmen op tot de zichtbaarheid

Boven de horizon, en geven

Beschutting aan verlorenen  en

Huislozen. De vreemde krijgt het

Brood  dat begiftigd is met  een

Liefde die alleen de velden eraan

Geven. De zoekende treedt binnen

En loont zich  voor een geschenk.

De vrouw des huizes, schenkt haar

Melk voor de  pasgeborenen.

De dienstmaagden, lijnen de Os aan,

En brengen drank voor de  harde  werkers.

Als de zon de klim nadert, roert zich

De oude van dagen die in beminnend  zeker,

Zijn kinderen  opdracht geeft om

De oogst te verzamelen.

Spreuken weerklinken uit de bergen,

De kruidenzoeker is uitgegaan om  zijn

Geneeskruid te zegenen.

De schriftman, zet zich neder,

Na een avond vruchteloos studeren,

Om zijn boodschap te herschrijven.

 

 

De zanger, opent zijn mond, en zwerft langs

De paden en velden om zijn gezangen

Aan iedereen te laten horen.

In het midden van de Stad,

Vergaderen de hoogwijze mannen,

Vrouwen en kinderen om de richting

Van  het land te bepalen. Om wijsheid

En wetenschap te delen.

Daaromheen,  spelen kinderen die

Zich verpozen met blijspelen.

Een enkele vreemdeling nadert tot de

Waterbron, om het dorstige uit hem te

Verdrijven. En eet van het brood om

De reis voort te zetten  naar het

Geboorteland. In de voorsteden,

Klinkt het gewerk  van de  ambachtslieden,

Die voor het donker  hun arbeid  voltooit

Willen hebben.  Met aan hun zijde  hun

Echtgenote die de kinderen voedt, en

Hun ziel spijst.

De velden, licht van kleur  door de

Oogst die rijp is. Geeft armen een

Zekerheid, Dit jaar is mijn  hand gevuld.

In de diepe  wouden, heerst de stilte,

Om wijzen  hun wetenschap  te laten hervinden,

Om zieken  hun rust te geven.

Op de muren  der steden,  wonen de

Postagentschappen, die met  hun duiven

De boodschappen naar verre   oorden  sturen.

In de paleizen der koningen, is vrolijk gelach,

Over de vermakingen van een  volks kind met

Een boodschap. In de Tempel,

Daalt een  diepe rust neer, als een  vrouw in

Barensnood haar kind  behoudt.

De uitkijktoren, is vervuld met  gemompel

Over de ondoorgrondelijkheid  van de sterren.

Bij het middagmaal, nadert de jongen tot

Zijn meiske  die de waterkruik  voorhoudt.

De knecht, verdiept  zich in het gezelschapsspel.

De meester loopt de maten en bindingen na.

De vrouw des huizes, zucht en  vraagt waar de

Winter   blijft,  om  in huis elkaar goede  verhalen te vertellen.

In de Huizen waar gekookt wordt voor armen en vreemdelingen,

Is het gezellig. Het eten smaakt er goed.

De kunstenaar zet een nieuw doek op, en zet zijn eerste streek.

De naam  van een  groot verhaal, weergegeven  in een

Schittering van de natuur.

 

 

De wijze, gaat door de straten, om te bemerken of

Hulp geboden behoort te worden, Of de mens

Tevreden is met eigen lot.

Een geroep op de straten, het werk is weder bereidt voor zijn

Voortzetting.

Het meiske slaat haar handen   ineen  en vertrouwt de jongen

Toe dat ze de waterkruik koel zal houden,

Immers  de zon kan warm   zijn op het veld.

De knecht verzamelt zijn werkinstrumenten en staat op.

De meester, zit neer  om  zijn brood te eten.

De marktman,  maakt zich op om  de oogst

Uit te stallen. De vrouwen naderen al om

De verse vruchten te bewonderen.

Als de knecht nadert   tot het oogstveld,

Spelen de kinderen in het hoge gras.

Een houtvuur  dat op uitbreken staat wordt

Ontdekt en de brandwacht, altijd op  tijd

Ter  plaatse blust het met een zak waterig zand.

De omroeper verkondigt  de  laatste berichten.

Over de tevreden oude man, die zijn Taak

voltooit achtte en zich nedervlijde  om  Zich

bij zijn voorouders te vervoegen.

Over de zieken die,  hun genezing  hervonden.

Over de mensen wier Huis opnieuw gebouwd

Behoort te worden. En een aankondiging van

Het feest der oogstvruchten.

De kinderen verzamelen zich om  de

Overblijfselen van het middagmaal aan

De dieren te mogen voederen.

De vreemde houdt nog even de pas in om

De stadspoort te bewonderen. Die pas

Met een kunstwerk is bekleedt.

De vrouwen  treden uit hun huizen om Bij

de wasbron  hun kleding  uit te leggen,

Om gereinigd te worden.

De smid krijgt een  verzoek  om  een Klingelbel

te maken, zodat de zanger zichzelf Kan

aankondigen.

De houtwerker, levert zijn bedstede af bij de

Oude man die 's nachts de  koude  voelt opklimmen

Langs de benen.

De marktman,  prijst zijn vruchten aan,  en weet  te

Benoemen wie ze geplukt heeft.

De schriftman, droogt zijn pen, en verwondert zich

Over de boeken die hij heeft voortgebracht.

 

 

De wijze voltooit zijn  gang door de  stad en

Zet  zich tevreden neer, voor elke nood

Was er iemand om haar te helpen vervullen.

De wachters  voor het heiligdom, waarschuwen een

Jongen die poogt de gaven van de vreemdelingen te

Bezien. De Tempel komt tot leven  als de eerste mensen

Naderen om God  hun dankzeggingen  te komen brengen.

Op het veld, zit de  knecht met zijn meester neer,

De oogst voor vandaag is binnen, morgen zal

De andere kant gemaaid worden.

De akkerbouwer, strooit zijn  zaad,   voor het komende seizoen.

De kruidenzoeker, geeft zijn vondst aan zijn

Vader, die hem vertelt, dit hele bijzondere kruid.

Wordt niet vaak gevonden. En is alleen door

Het oog van oprechte zoekers te vinden.

In het woud, klinken die gebeden  en zangen,

Om het oor van zieken weer te genezen.

Buiten de stadspoort, wacht de  handelsman

Met zijn lastdieren om toegelaten te worden.

Vanavond is er gezelligheid, want uit verre

Oorden is er nieuws. Nieuwe klanken klinken

Kinderen naderen, immer  bereid om nieuwe talen

Te leren.

De huizen zijn gereed voor de  nacht, haar bouw  is

Beschut voor de  regen.

De vrouwen bereidden  het avondmaal en sturen de

Dienstmaagd om de vrienden uit te nodigen.

De mannen die hun werk  nederleggen  en naar huis

Wandelen, bespreken  de eerste dingen  voor morgen.

De vreemdelingen en de armen, naderen het eethuis,

Om de eerste vruchten van de oogst te mogen proeven.

Een meiske haast zich naar huis, om zich bij de maaltijd te voegen.

Ze heeft boodschap dat de jongen, zich met  haar verbindt.

Haar kinderen  zullen zeker  wonen.

De knecht, groet zijn meester en is vrolijk over

Zijn loon. Vandaag heeft hij dubbel  ontvangen.

Het werk was makkelijk en de nieuwe bedstede van zijn

Oude vader, vind  nu haar beddegoed.

Na de maaltijd verzuchten de kinderen,

Dat ze slaperig zijn. Sommigen zoeken  hun bed op,

Anderen  liggen neer bij hun geliefde spelen.

De mannen en vrouwen   haasten  zich naar de

Gezelligheid, waar vreemde ervaringen worden verhaald.

Met vruchtesap, en gedroogde vruchten voeden  zij zich,

De lekkernij. Vreemde voorwerpen worden aan elkaar  doorgegeven.

Sommigen zien er wel gebruik  in en ruilen het voor hun

Gebruiksvoorwerpen.

 

 

Als de zon haar duisternis over de aarde doet vallen,

Klinkt de laatste groet,

En legt ieder zich te ruste, in eigen bed, bedstede, of

Hoek.

Dan valt de stilte, klinkt de laatste vogel en wordt

De aarde weer nieuw gemaakt.

 

 

 

Een Blijdicht over Eenheid, in Eenzaam

Verwachten van God's  Grote Rijk.

 

Een Vraag  door de  Wereld,

Waar is mijn ziel,

Mijn blijdschap, mijn leven,

Waar is de gedachte, Achter

de nood,

Om de dood als vrede te aanvaarden,

Waar is de liefde, om de eenzaamheid

Met  elkaar te verdelen.

Waar is de vreugde om anderen,

Een bezoek te geven.

Waar is Mijn Herder, die mij

Het leven gunt,

Waar  is Het  geluk waar mensen

In paradijs van dromen.

Goud gele boter stromen,

Blinkende  topazen op

Heldere paleizen.

Waar is de vrucht die

Eeuwig  leven geeft.

Waar is de Herder die haar

In beheer uitgeeft  aan zijn

Gelovigen. Welk

geloof is mijn,

Als  ik zie  er is niets dan leed  en pijn.

Waar is mijn ziel als ik zie,

Er is geen vriend, geen naaste om

Te omhelzen, om te vragen om

Hulp of Geschenk.

Waar is mijn gedachte als eenzaamheid

Haar kwelt, en mijn leven  zich neerbuigt,

In Verdriet, en dodend Smart.

Waar is de Herder als ik neerzijg  in het Stof,

Ogenschijnlijk   zonder kleding om  mij

Te bedekken tegen het bittere kruid. Waar

is de Herder als ik mij omhoog wend, En

geen  gehoor vind,  Zelfs  de  Hemel, Bekend

als een vriend  voor allen, geeft geen Teken.

Geen geluid  van engelen, of van

God om een redding te geven.

Waar is mijn Heer,  die volgens overlevering

Toesnelt op een edele vrager, Waar is mijn

Zuivere natuur, die in mijn jonkheid mijn

Vreugde was, Waar is mijn schat, om als

Betaling te geven om gered te worden.

Welke schat, is niet  al in juiste handen,

Als de Heere, God, ons zelf de schat

Heeft meegegeven. Waar is God,

Als Hij Geen  vrede geeft.

God  aan u de  vraag,

Neem mijn leven, echter

Ook mijn angst en mijn beven,

Voor smart, Pijn en verdriet.

Want zo langer is het mij niet

Meer tot heil  of vreugde.

Maar kent gij mij, dan weet  gij dat

Sterven, ook al voor de goede zaak,

Is een angst groter dan om te leven,

Dus draag mij, en laat mij leven,

Zodat het u aangenaam is, en ik

In eenvoud tevreden mag wandelen.

Met  uw eer,  en tot uw eer. Geen dag

Mag voorbijgaan, zonder een antwoord

Van U. Geen nacht mag zonder lering Van U in

de  ochtendstond in vergetelheid Zinken. Mijn

Herder, Dat bent U, en zonder U.

Is het leven mij niet Helder, Kan ik niet voortgaan,

Zonder besef  van bittere ellende. Maar met uw

Heilige tegenwoordigheid, mag ik slechts hopen,

Laat mij het Goede zien, en uw last draag  ik.

De last om Leed in Liefde te veranderen,

Om Verdriet,  in Vreugde te keren,

Om verwarring in Eenvoud te laten eindigen.

Om  Nood, tot in de levenswens van velen  te laten dragen.

Om  de ellende, op de wereld, in de mond  van zelfs kleine  kinderen,

Te laten opbloeien tot een vraag naar een gegeven geschenk.

God, mijn Heere,  mijn Herder, Mijn nood, is

Als een muziek, een melodie, waar U de grootste partij, van

Mag  gaan zingen. Een boek, een Schrijfsel  van wonderen,

De wonderen, zonder U zouden er niet in staan.

De schilderingen  van het Lot, gaan over  mooie

Landen, ooit bestaan,  niet in geschiedenis, maar in de Harten

Van mensen,  mogen deze schilderingen ook in mijn

Hart weer  ingekleurd worden. God Mag ook mijn ziel

Weer  in vrede toegebracht worden, tot een plicht die

Helder, en Duidelijk is, zonder twijfel, zonder angst.

Over Geloof ik wel, geloof ik niet. Dien ik juist, of dien  ik

Oneerlijk. God, deze vragen, de Grootste van het geloof,

Zijn bij U bekend. U als grote raadgever, U als Heere en

Herder die leven geeft, en ook leven  in vrede beneemt,

God neemt U mijn vraag  tot U, en mag ik slechts hopen,

Mijn Leven, tot Eer aan u te mogen Geven.

Een dichtsel, Gedicht in Dichtend Woud, Een

Zang, Gezongen vanuit Gezongen Liefde, Een

Lied, Beliederd, Door de Geest der Zachte Zorg,

Een Vraag, Gevraagd, door Mensen bezongen en Beantwoordt.

Een Nood, in Nodigheid  vervuld met  een  Liederlijk zingen.

 

 

 

Een man, een vrouw, een kind, een oude,

Zij alle, Staan voor een  zaak met  een  einde.

Een leven lang, mag je zien,

Je taak, Je Plicht, Je liefde,

Je trouw, Je geloof.

In alles, uitkomend tot een blijde ontvangenis.

Welke dag, zonder taak,

Welk uur zonder plicht,

Welk jaar zonder liefde,

Is er ooit voortgekomen in een mensenleven.

Elk jaar, een klein lichtje,

Een  flakkerend gevoel misschien,

Een plicht die overheerste,

Een taak die riep.

Maar  ook een  klein zichtje

Op een Zang,

Een Zang van Liefde en van Reinheid,

Een Lied, gezongen in Vrije  Blijheid.

Een  Vraag beantwoordt door een Taak een Plicht

Gelijk aan Liefde.

Een Nood. Die uitmondt in een  vrolijke noot.

Een Leven, in aantocht een zang die begint met

Het refrein.

Waar liefde is, daar groeien de gevoelens,

Klaar en rein, Daar kan men  alleen

Nog maar vrolijk zijn.

Waar liefde is, daar bloeien   de  daden,

Daar  draagt het vrucht,

Daar zien we,

Een kleine ontvangenis,

Een  klein zaadje.

Een kleine vraag,

Naar God,

Begint tot een Lied te leven,

Een Lied door ieder gezongen.

Een lied van ieder die het leven zocht.

Een lied dat ooit gezongen,

Uit oude boeken  is opgeklonken,

Uit  oude schatten is herkregen.

Uit byzonderheid is beleven.

En deze liefde, gaat niet  over  last en Ruzie,

Over Geld om  brood te kopen,

Of Genot om geluk te zien.

 

 

Ook niet over een verbintenis  klaar en rein,

Tussen een Vader en een kind,  teer en klein.

Niet  over een moeder, zorgen en waarachtig.

Neen, deze Zang gaat over  de diepste  der geloven,

De heerlijkheid van Schepper Zelf,

Om te mogen geloven,

Er is er een die zich over mij mag Bogen.

Een zuivere boog,

Van vergulde zekerheid,

Van verklaarde vragen,

Van gezuiverde offerande.

Dan zien we er is er een.

Die ziet, al het leven.

En wacht, klaarlijk wacht,

Tot een man, een vrouw, een kind, of een oude,

Gaat zoeken, blijft zoeken, zucht, en gaat zoeken. Naar

de onbekende bron, waarvan het leven ontspringt.

Waaruit de Aarde haar grondvest  heeft,

En ook de Zon, haar schijnsel   uit voortbrengt.

En toch, die bron, die Bron.

Is ook de Bron die mijn leven  glans geeft,

Die de straling van mijn handelen,

Bevrucht, en Leven  doet.

Die Mijn leven, Tot in het einde vasthoudt,

En mij geloven doet in een  waar loffelijk streven.

Een  streven tot Heilzame zegen.

Een laatste vraag,

Een antwoord op een bepaalde naam,

Een vraag, Waar blijft mijn naam,

Als God haar draagt,

Als nageslacht er niet is om er naar te vragen,

Als bescheiden heengegaan zijnde,

Mijn  naam nog in nederigheid verblijft.

Als mijn naam  in zorg nog aanwezig   is,

Als mijn naam, mijn kenmerken draagt.

Als  de naam  van God, door mij

Zachtjes  wordt uitgesproken,

Over iedere nood, over ieder leed,

Over ieder verdriet, dat op  Aarde heerst.

Over  de gave van genezen,  over het Heil  van ieder wezen.

Over de zucht naar verlangen   om te binden,

Om ook de  laatste schat te hervinden.

Deze naam, die uitgesproken, stil blijft,

Niet gehoord dan door Een,

Niet beluisterd dan door de  zielen,

Die zoeken, evenals ik, naar God's heilige naam.

 

 

Een Gebed in vier delen,

Vier zorgen voor de Heere onthuld.

Vier vragen om zekerheid  te horen.

Vier daden om te belijden.

Vier verlangens om vervulling te verkrijgen.

 

Zorgelijk  is het als je leeft,

Elke dag weer, elke nacht neerligt.

Elke gedachte  aan jezelf, smartelijk is.

Elke ingeving, je doet sidderen  van pijn.

Elke besef van levensduur  je afgrijzen versnelt.

Elke  nood, je teneerdrukt.

Elke dag weer,  is er een zonde die je pijn verergert.

Elke nacht is er een droom die je wezen met angst vervuld. Elke

wens tot liefde, tot heerlijkheid, eindigt in een  bittere zonde.

Elke daad, begonnen om de dood te ontvluchten, leidt   tot een zware last.

Elke mooie gift, een  zaak is die schuld en woede  doet flakkeren.

Elke spijs die harten verwarmt, de trots laat schamen.

Elke drank, die tot rust  brengt, een zucht is tot einde.

Een dag die in rust eindigt is een  grap zonder betekenis,

Een avond die in nevelen  gehuld vredig tot stilte komt, is een steek in de zij.

Een ochtend die ooit schoon was  van handelen, is een duistere begeerte.  Een

middag, die zwaar was van vracht, en licht  tot dwaling overging,

Is een vasstaand en aan zekerheid grenzend begeven.

Waar is de hoop om goede dagen te zien,

Waar is de kracht om zonde te keren,

Waar is de liefde om liefde te zien.

Waar is de hulp, om  hulpvaardig een einde te zien in de duistere zonde.

Waar is de gave, om het tij te keren.

Om van de  dood te leren,

Om van het leven, het leven te krijgen.

Waar  is de steun om door te gaan,

Om te dragen, dat zonde, en dood, en duisternis, in Hoop kan ontgloren.

Waar is de zekerheid om het pad, te verlaten,

Waar is de wind, die het roer doet keren  om  een  goede tijding tegemoet te gaan.

Waar  is de zegging van een geliefde gast, om te mogen geloven,

Dat  waar zwart en donker vermengd  zijn, waar angst en vrees tesamen liggen,

Waar woede en boosheid  zich verhullen, Daar waar liefde en vreugde behoren te groeien,

Een  zaadje valt. In diepe grond. In de verborgenheid  van de Aarde.

De zegging, dat redding ree‘l  is, Dat verlossing een  daad is die  aan ieder  geschiedt.

Waar is de vrijheid om liefde, en verdriet, te mogen delen.

Waar is de vrijheid om twijfel, onzekerheid, angst. Zonder schaamte of schroom te mogen

Uitleggen aan kwetsbaren.

Waar is de vrijheid om boosheid,  woede,  achterdocht en haat,

schuldig te mogen belijden.

Waar is de vrijheid om de doodsangst en de  levenshaat,

te mogen verkwikken  door de  Heere,

in vreze te bevragen.

Waar is de vrijheid om de eigen liefde, weer te laten stralen,

zodat anderen   zich aan haar warmen, en de Natuur

haar schoonheid   weer teruggeeft.

 

 

Waar is de zorgende liefde, van vrouwen,

om  wat goed is en rein te behouden.

Waar is de beschermende vaderhand van mannen, om wat

zacht en kwetsbaar is te beschutten en te beschermen.

Waar is de Grote Hand die dit alles leidt.

Waar is de grote vraag die dit zichtbaar maakt.

 

Een vraag is een vraag naar vragen. Een antwoord,

is een  woord gegeven  om  stilte te geven.

Een wijsheid   is in vragen en horen. Een daad is in luisteren  en bemerken.

Een  geloven is in ontvangen en  laten groeien. Vragen over vroeger,

Vragen over vandaag, Vragen over Morgen.

Of vragen  over  Ooit  of Nooit. Elke vraag is vrucht voor geluk.

Elke daad is vrucht voor genade. Elke zekerheid is een vrucht van de Schepper.

De dagen lengen zich tweemaal in het jaar, De jaren korten tweemaal in het seizoen.

De nachten, dalen driemaal in kilte neer, De avond eindigt viermaal in avondrood.

De morgen   wordt elke  dag in stilte wakker. Vandaag is de grootste dag.

Morgen is wetenschap die niet gekend in stilte neerligt in God's hand.

De vorige dagen, niet gekend,  zijn bekend  bij de Heere.

Vandaag, geleefd  als enig  zichtbaar aanschouwen, wordt overschaduwd

door God's leidende hand. De zon schijnt elke dag, vanuit de maat

die haar gegeven is. De nacht krijgt licht van de maan, die de zon omvangt.

Dagen  volgen elkaar,  als een streng garen dat ineengeweven, de

lengte langer maakt. Dat ineengeweven de draad doet korten.

Dagen  vinden  plaats elke  dag na elkaar. Toch beleefd als een  moment, als een  tijd.

Is zij een  ruste en een  stilte. Toch beleefd als een  overzicht over heden,

gisteren en toekomst, is zij een beweging,  een getal, en een moeite.

Om van de dag een dag te maken, is slechts de bron van alle vragen,

de  bron voor alle antwoorden, de tijd die gelukkig maakt. De tijd die vandaag

bestaat, en gisteren en toekomst in de geborgenheid  van God te plaatsen. Een nacht,

onbekend, niet gekend   door ruste, is een vraag om wijsheid, een vraag om onderwijzing

van nachtelijke schouwingen. Een vraag om  leering  van de Geest zelve die

de harten heelt.  De nacht, die  doorschouwt, beschreven, doorwrocht, bekend,

bemint en geleden de wetenschap dient, is een zondige bede, want zij

heelt niet het Hart van haar drager, zij onderwijst geen ziel over het

verlangen  naar haar Bron, zij leert niet over de daden van medemensen en

byzondere gaven. Zij geeft geen ruste, geen stilte, want arbeid, geschiedt overdag,

en des nachts, is het stil,  is het rust, is het donker. Zodat de dag haar

beweging weer vind. Zodat de dag haar zekerheid weer uit wijsheid ontgint.

Zodat de dag haar vragen  weer   zichtbaar maakt. Zo zoeken wijzen, de dag om  te

werken, om te schouwen  hun handelingen  en hun woorden.  Zo rusten de wijzen

des  nachts zonder  besef van bestaan, zonder besef van schouwing, zonder besef

van pijn, in de stilte die de donkerheid over de Aarde legt.

Zo zoeken de dwazen, de dag om  te dromen, de schouwingen die

zij des nachts missen,  de dag om  te werken, met luchtwezens als

medearbeiders,  de dag om  te vragen naar

de wensen   van onwezenlijke zaken.

 

Zo zoeken de dwazen, de nacht om te werken, aan duistere  daden,

Zo zoeken de dwazen, de nacht, om voedsel  en drank te bereiden,

om nog voor de ochtendstond in nevelen   te aarzelen. Zo zoeken de dwazen om

de onderwijzing des nachts, tot bron van spot, grap en humor te bekennen.

Zo zoeken de dwazen om de nacht, met luide roepingen, en valse zangen de

stilte te vermijden. Wees  daarom zeker  dat de dag, haar dag bemint, en dat

de nacht haar nacht verlangt. Zijn er dagen zonder tal, zijn er nachten ooit geweten,

als een vraag naar meer een vraag naar geluk  is. Zijn  er dagen met  een  grens,

zijn er nachten beangst om niet-besef, als een  vraag naar zekerheid,

een vraag naar vertrouwen is.

Zijn er dagen te pijnlijk, te onzeker, Zijn er nachten, te wakker,  te moeitevol,

als de  vraag om  rust, de dag inluidt. Zijn er  Dagen   dat de zon laag staat, dat de zon

hoog staat, dat de zon ondergaat, of dat de maan haar schijnsel   niet  geeft. Zijn er

plaatsen waar zowel  zon,  maan  als sterren  niet bestaan. Zijn er plaatsen waar mensen

niet bestaan. Zijn er plaatsen waar de mens als mens geen mens meer is.

Zijn  er plaatsen waar de Aarde geen vorm heeft, en een  wisselend   karakter heeft.

Zijn  er plaatsen waar Onze Heere geen woning heeft. Deze vragen, zijn

vragen om liefde. Want mens en Schepper geven de liefde,  en waar zij

tekort komt  om  te ontvangen, daar groeien  deze  vragen.

Zijn er vragen die gaan over  zaken  die niet verteld mogen worden, Zijn er

vragen die nooit beantwoordt mogen worden, Zijn er vragen die onjuist

gesteld, nooit waarachtig, oneerlijk, kwaadwillend, of desastreus zijn. Vragen

die  zulk een  karakter dragen, die krijgen  hun antwoord, vanzelf, na inspanning

om goed te doen, om goed te leven, om te helpen  waar nodig.

Daar komt de hulp vanuit de dag, de zon om  warmte  te geven. Vanuit de nacht,

om leering van de ziel te geven. Vanuit de mens  zelf om zekerheid te groeien.

Vanuit deze zekerheid  krijgt men kracht om pijn en leed te dragen, om onvertelde zaken,

onbeantwoorde verlangens, oneerlijke gedachten, slechtigheid, en liefdeloosheid open te leggen.

Om ze tegen mensen te zeggen die de last kunnen dragen, die de last delen   met hun

naasten om zo'n zware vrachtdrager, te ontlasten. En de gebroken benen  weer  te spalken.

De armen  die  trillen van moeite weer te rusten op een  zachte ondergrond.

Om de zware gedachten, met licht te spijzigen. Om de gevoelens, die wisselend,

onzeker, zonder vaste grond, een  kern geven  van zachtmoedigheid. Toch blijven er altijd

vragen, die nooit een kenmerk dragen, die nooit een vervulling krijgen  van schrift,

woord, of gebaar. Deze  vragen, zijn om de Schepper uit te nodigen tot een antwoord.

Een antwoord dat leven   geeft aan de zoeker  van zijn licht.

 

De daden van elk mens, elke wezen, is een daad die leven draagt.

Elke daad in eer begonnen, elke daad in goedheid  geboren, elke

daad in verlangen laten groeien, Elke daad in zuiverheid   ontgloren,

is vanuit de Heere, een lieflijkheid die mensen verwarmt, die mensen heelt,

die mensen draagt, die mensen onderwijst, die mensen  liefde geeft. Elke

daad die tegen mensen  hekelt, die mensen haat, die mensen

onzeker maakt, die mensen boos maakt,  die mensen  kwetst,  die mensen

pijn doet, of die mensen het leven ontneemt, is een  daad die  tranen doet stromen.

Een daad die verdriet geeft bij meelevenden, Een daad die zorgen geeft, Een daad

die de drager last aandoet.

Elke  handeling,  zonder wil tot handelen, Elke  handeling zonder wil tot daden,

Elke  handeling begonnen om te doen zonder doel, Elke handeling, gedaan met

als oog een open zijn, is een zegen voor moeder Aarde, is een geur die de Aarde

haar glans geeft. Is een daad die naastenliefde herbergt.

Elke  handeling, voor jezelf, om eigen eer,  eigen genot, eigen goud, of eigen   lust te

vergroten, om ze te vermeerderen, te bogen op grootheid, op trots, op schoonheid.

Zelfs  zonder hulp of zonder  node, is een kleine daad, kleiner  dan die de Schepper begon.

Een  kleinere daad, dan diegene die hulp aanvaardde, die de verleiding weerstond.

Een  kleinere daad, die reden geeft tot verdeling  van de eer.

Elke handeling, onbezonnen,  zonder wijsheid, zonder wetenschap van verstand,

bedoeld, maar andere gevolgen, onbedoeld, toch de juiste resultaten.

Is een grotere misser, dan het gemis aan liefde, dan het gemis aan steun,

dan het gemis aan hulp. Want hulp, steun, liefde zijn altijd met bedoeling gegeven,

Zijn altijd met hartelijkheid gegeven. Een grotere misser om gemis te vervullen,

is bij de Heere niet bekend. Waar missers zich voordoen, waar missers,

toch misprijst, een  ander moeite geeft, daar is het doelen op de juiste waarde,

een  daad die niet misgunt wordt aan de schoonste of Zekerste draler.

Elke  handeling in leed de beste als veroorzaker, in pijn als grootste gever, in

wonde met zuiverste bloed, in dood met  venijnigste   doem, is een vraag,

een vraag die haar vrager  niet  beseft. Vanwaar roept dat bloed  op  uit de Aarde,

vanwaar klagen de harten over pijn, waarvandaan komt de klacht over leed,

Welke last is zwaarder als doem. Toch elke dag draagt deze  handeling  haar last,

Elke dag blijft de rente groeien. Totdat de last de handeling afslijt,

Totdat de  handeling  door de  tijd verteerd, geen lust meer geeft.

 

Waarvandaan blijft zij komen, deze daden,

Waarvandaan  blijft leed en pijn bestaan.

Om te keren  het tij van gewetenloos  leven, Om te draaien

de noodsgodinnen   van het Lot,

Om te verlangen  naar een dag zonder kwaad,   Om te zien de nood van

eigen handen, is er slechts een  besef  gewenst van toegebracht leed,

van toegebrachte pijn, van de  wonden  die er zijn, van de graven die  gevuld zijn.

Toch dit besef, is de zwaarste last, op Aarde, de drager, torst haar rond,

en vind geen steun  voor hand of voet. De last die  gedragen wordt,

zonder te vallen, zonder te glijden,  zonder te doen falen. Deze last die niemand

anders draagt, is een last die men alleen   draagt  totdat het  hart door  bitterheid tot

goede zaken richt, door harde wetenschap  tot wijsheid komt. Deze bitterheid, deze

harde wetenschap  is de basis  van genezing, genezing die weer  zicht geeft  op het

bestaan van liefde, van meelevendheid, van zorg, van beschutting, van arbeid en

plicht, van de leidende Vaderhand.

 

Verlangen, is een gevoel  van liefde  naar een mens, een  nabijheid  van God, of tastbare zaken.

Verlangen, immer gewild  door iedere zoeker, is een bede om te vinden een Edele  zaak.

Verlangen, een zoete geur doet je ernaar vragen.

Een zachte stem, vliegt over Aarde, hier is mijn verhaal een  zacht belijden.

Een geluid  klinkt uit de wolken, een zucht op de Aarde, doet haar blijken.

Een Oude van dagen, een Jong kind doet  haar al onvervuld beklagen.

Verlangen, naar verlangen is een Schoone zaak, toch zij groeit, en  waar haar begin  Schoon is,

wordt zij zoeter,   en zoeter, tot gij haar niet  meer kunt of wilt dragen.

Verlangen om haar te vervullen   en  haar  tot stilte te brengen,  is een Wijze bede. Een

vraag die de Heere toekomt. Een vraag naar de  Heere, Een verlangen om Hem  te

kennen, te zien, te krijgen  een  van zijn goede gaven. Is een Edel verlangen, van

adeldom bent hij van innerlijk, voor anderen somstijds onzichtbaar, niet benoemd of onduidelijk.

Toch gij weet, en beseft, verlangen  naar de  Heer,  is een verlangen   dat in het begin

onzeker,  in het begin klein, in het begin soms bedreigend, groeit, en groeit, zekerheid

voortbrengt, vrede geeft, het  hart verwarmt, en goede zaken geeft. Dan in het

einde zult gij beseffen,   de Heere  leeft.

Verlangen, een onbeheersbaar, onberedeneerbaar, een onnavolgbare  oorzaak van

vele daden. Een motief om zonder voorbereiding  op pad te gaan, Een  stimulans

om  zonder zekerheid   voort te gaan.  Een  reden om een  oude zaak te heropenen.

Geen mens, geen kind, jongeling, vrouw, man,  of oude  van dagen,  kan zonder

haar enig  gevoel  voor leven   in haar dragen.

Geen mens, geen wezen, kan zonder verlangen,  een vreugde beleven over een

verkregen goed, of een wens tot leven. Geen verlangen wordt

ooit zonder  kracht gegeven.

 

Geen verlangen  blijft zonder  haar besef van bestaan.

Geen  verlangen is zonder een  teken van een  verre  of toekomstige vervulling gebleven.

Toch, doet gij moeite   en vervult gij haar zelf, in verbeelding,

in goed geld, of in het klein. Dan is het niet  zo mooi, en  niet  zo schoon als zoudt hij wachten,

tot de Heere haar bewerkt, en in goede zin, door de bewoners van de Aarde, naar u laat gaan.

Want waar de Heere, de verlangens vervult, daar is het zeker dat het vrucht

geeft  voor vele goede voortbrengselen. Die soms  zonder tal, zicht geeft op liefde,

vreugde, geluk, genezing, wijsheid en redding. Wilt gij verlangen, maar is het niet

zeker,  ben ik onrein, ben in te klein, ben ik te groot, of vermag ik niet dit aan de

Heere te vragen, weest zeker, als gij zo voelt, als gij zo denkt, is er een die het

voor u verder  draagt, een die het  voor  u  tot de heere draagt. Is het niet uw liefde

tot de Heere  die hier uit blijkt, Is het niet  uw  geloof  dat dan

groter is als uw verlangen om  het te krijgen.

 

Is er een Woord, een Daad, een Verlangen of een Leed dat onbesproken blijft, als

de Heere zelf  tot mensen spreekt, niet door harde woorden, of te scherpe taal,

maar  door aanwijzingen, soms  te klein om te bemerken, die je allengs het

antwoord doet weten. Soms tot mensen spreekt door dromen 's nachts,

zonder kenbare  betekenis, Soms spreekt door de  daden  van onszelf.

Waar wij haar naspeuren en doorgronden vinden  wij  haar niet, maar vragen

wij  haar zelf bij God, dan mogen wij haar beleven. En dat is de goede gave die God aan ieder  wil geven.

 

 

 

Een Zang over Liefdevol beminnen,

Een lied dat verhaalt de zachte kant van moeder Natuur,

Een melodie, gemaakt om warmte te schenken.

 

Daar  was  ooit een paar,

Een kind, en het tweede kind, daar tegenover.

Beiden,  speelden het spel der jeugd, en

Stelden   hun weg  spontaan en deden  wat hun vroeg.

Beiden zonder besef, van wat zij waren, wat zij

Niet deden, of wat zij konden zijn.

De ene , het kind,  een  jongen, speelde  in bossen,

Met takken, aarde en water. Rende achter dieren  aan.

Klom in bomen   en vertoonde veel  kracht.

De tweede, een kind, een meisje,  speelde op de open plekken,

Bouwde, hutjes, teer en klein, om in regen in te schuilen,

Zocht lekkere vruchten en zaden bij elkaar, om te eten,

Of als een mooie tuin voor haar hutje te planten.

Soms  waagde zij zich het bos in en vond wilde  lekkernijen.

Dan weer zag zij nut om  gras te maaien, en een zacht bed

Te bereiden, voor een eventuele zieke, of vermoeide vreemdeling.

Elke dag, speelden zij, zonder te weten, er zijn er meer, die

Spelen, zonder te denken, welke boom, heeft mijn handen niet gevoeld,

Welke plek, staat mijn teken nog niet omhooggericht. Elke

dag, speelden zij, zonder te weten, er is er een die mij Mijn

spelen kan verkwikken. Met byzondere gaven,

Met een zijde die ik zelf niet bezit.

Elke dag speelden zij, zonder te weten, er is er een die mijn

Hutje  wilt bewonen, Die mijn vruchten en wilde lekkernijen wil proeven.

Die elke dag weer  terugkomt, om mijn zacht bed te bewonderen.

Elke dag speelden zij, zonder te beseffen, ik ben niet alleen, want

God schept er twee op Aarde. Die samen mogen spelen. Of samen mogen werken.

Elke dag spelen de mensen op Aarde, Elke dag werken de mensen op Aarde.

Toch weten zij niet altijd, er is er een,  die mij laat zoeken naar die mens,

Die mijn verlangen vervult.

Toch weten zij niet altijd, er is er een,  die mij keer op keer,  weer op nieuw

Laat verlangen,  naar die mens, die ik in geen ander mens  nog kan vinden.

Toch weten zij niet altijd, er is er een,  die mij dagelijks, laat beseffen,

Ik vind  haar niet  als ik zelve werk, want waar ik zelve werk,  vind ik

Slechts mijzelf.  Waar ik mijn verlangen zoek te vervullen, is het hoger doel,

Om slechts biddend  te verlangen dat God mijn wederhelft, in mijn zicht zich

Laat beminnen, door mijn hand, en mijn liefde.

Elke dag, spelen de mensen,  Elke dag werken  de mensen om hun

Diepste wens, om  hun diepste behoefte, te verkrijgen.

Elke dag spelen de mensen,  Elke dag ziet de mens, mijn spel is

Niet alleen mijn spel, maar komt een  ander ten goede.

Elke dag werken de mensen,  Elke dag bemerkt de mens, mijn werk,

 

 

 

 

Is meer als loon voor een mens alleen, zij is een deling  voor meer,

Zij is een deling  voor een gedaante die schoon, en rein,

mijn verlangen weet te vervullen.

Dagen lengen zich  tot maanden, en de maanden  lengen zich tot jaren.

Tot de wens in de jeugd, bij God gelegd, een teken krijgt, een kleine opmerking,

Van een kind misschien, Of een raad van een bejaarde.

Zie hier, Zie daar, Ik heb gehoord, er is een mens, schoon op Aarde.

Rein en Zuiver, Stel u Weg aan en  maak u op. Reis met uw vrienden

Naar waar ik u roep.  Daar zal ik u aanzeggen, welke gedaante ze heeft.

Reizend, vind ik tekenen,  van kleine kinderen die spelen, en  niet  bang  zijn voor later.

Reizend, vind ik mensen, die werken,  en gelukkig hun have bewaren.

Reizend, vind ik God, die de mensen weet te voeden, met hun zielespijs.

Reizend, mag ik weten, deze roep, van God, van moeder Aarde,

Om mijzelf te bewaren, tot mijn wederhelft, in staat is om mij te ontmoeten.

Die roep, die  volg ik, die heb ik lief. Want God  als gever van goede  dingen,

Geeft mij ook mijn gave, misschien een kleine gave van aardigheid, een kleine gave van iemand helpen,

een kleine gave van voor iemand opkomen, een  kleine  gave van iemand

weer op de been helpen, of een gave om  god te willen dienen.  Want waar God dingen geeft,

Daar weet ik, is God zichtbaar op Aarde, en ik weet ik wil God zien,

ik wil God kennen,  ik wil God van aangezicht tot aangezicht zien, dan besef   ik,

niets anders dan een  vraag om een gave, kan haar vervullen.

En welke gave dan ook ik wil, of wens, van God, is zij een geschenk, dat blijft tot in lengte van dagen.

Reizend, wensen mijn vrienden mij geluk toe, en keren tot hun  taak,

Reizend, geleidt een machtige hand mijn weg, om vrede te bemerken in de wijze van spreken.

Reizend, geleidt een machtige hand mijn weg, om de stilte van binnen  te zien groeien.

Reizend, geleidt een machtige hand mijn weg, om de rust in het bos, of in de drukte te beminnen.

Reizend, geleidt een machtige hand mijn weg, om de wijsheid te zien, dat goedheid,

soms zonder  naam  of zonder  waarde, woont bij iemand die niet eens  kan vragen.

Reizend, geleidt een machtige hand mijn weg, om te speuren naar de volgende stap.

Reizend, kom ik in mijn thuisland aan,  waar moeder Aarde, mij mijn leven gaf.

Reizend, kom ik in mijn vaderhuis binnen, waar de vrede vanzelfsprekend is.

Dan is het slechts wachten tot God, mijn zegging doet geven.

Een  zegging, die mij hoog doet achten de weg van moeder Aarde,

Een  zegging, die mij nederig laat zijn, mijn wandel, van wege  de waarde van mijn medemens.

Een  zegging, die mij laat zoeken naar byzondere vragen, nog niet eerder aan God  gesteld. Een

zegging, die mij laat hopen op een dag, zo schoon, zo zalig, dat het  hart erin versmelt. Een

zegging, die mij laat geloven, in een Schepper, die dichtbij is tot iedere mens op Aarde. Een

zegging, die mij laat zien, dat het Hart  van mensen op Aarde,

Warm is, van de dauw die 's morgens op de velden ligt.

Een  zegging, die mij laat zien, dat de gedachten der mensen, vaak gaan over  de zaken,

over de dingen, die beter zijn als ze zelf kunnen  doen.

Een  zegging, die mij laat zien, dat de daden der mensen, vaak volgen op een

verlangen  naar een  van de goede waarden.

Een  zegging, op Aarde, van mensen die,

 

willen leven, die willen liefhebben, en willen wonen,

Met vrede, voorspoed, en overvloed.

Een  zegging, op Aarde, van mensen,  en kinderen, die als vroeger,

willen spelen,   met de middelen  van moeder Aarde, zonder ramp, tekort, of te hoge prijs.

Een  zegging, op Aarde, van zonlicht, maneschijn, en regen. Die de

een  een  blijde  verwachting geeft, de ander een  poosje  laat dralen.

Mijn hart verlangt naar een  zegging van God, over liefde, tot Hem en

tot een die mij echt kent, die mij waarlijk vervult, zonder bedekking, zonder smart.

Mijn hart verlangt naar een  zegging,  van moeder Aarde, of er een vrouw

bestaat, Schoon, Rein en Zuiver die aan mij verwant, in ziel en wijsheid,  mij wilt verbinden,

met de eenheid die de Natuur in hoge waarde stelt.

Mijn hart verlangt naar een  zegging van God, een zegging die ik liever

heb  dan menige daad, daartegenin op Aarde.

Mijn hart verlangt naar een gave van God, om zeker te mogen weten, dat Hij bestaat,

en ook een zegging, misschien ooit werkelijkheid mag zijn.

Mijn hart verlangt naar een dag, waarop ik in liefde ontbranden mag, voor God, dat

hij mij gegeven heeft, het  verlangen   dat al jaren  mijn hart heeft   gedragen.

Mijn hart verlangt, tot de dag dat zij  zichtbaar  wordt  in een gedaante op Aarde.

 

Een Dicht, In Verlicht, Belicht Wezen.

 

Een Duister weeklagen, Een

Nacht in Koude,  belagen,

Een Zonde in Dood gezien,

Een Vraag zonder Einde,

Zonder Smartelijk vragen.

Met lijden van belastend  overlijden.

Een ZieleLeed van Duister gemoed,

Een Zonde zwart als overmoedig bevroed,

Een Eigenschap, Die gekenmerkt tot,

Slecht, Onaangenaam, Kwetsend,

Scheldend en Oordelend handelen.

Een Enkel lichtje, Een byzondere

Persoon misschien, Een mens,

Van vlees en bloed, Die niet stopt, Of

Wijkt voor de grimmige daden.

Die ziet, er is meer er is ook nog weeklagen.

Die Gaat over brug en over zee, om ook

Deze mens zijn  oor te laten horen,

Om zijn Mond, te laten spreken.

Immers geen Mens, geen Ziel,

Kan  zonder een  woord van een Warme Mens,

Geen Mens, geen mens. Is tot Dood en Zonde

Geboren. Immers geboorte is geen dood,

Een wens tot leven is haar oosprong, en dient

Haar zelf in leven te geven. Zelfs   haar oorsprong,

Wist niet van het duister,   wist niet van het Leed.

Echter Leed, Duister, Weeklagen, Grimmige Daden,

Zij allen, zijn een  Last voor wie haar dragen moet,

Want ziel en schouwer en beleever, Zijn een en dragen

De smarten, het Leed,  de Pijn, en  voelen  haar als

Een  Drager,  een Zondeloze drager. Immers Elke levensavond,

Keert zij terug naar God, Naar de Heere,  de Schepper.

Om ons Levenslicht te hervinden, Om  de zonden, van

Aards slijk,  te wassen, Om bij het licht van de  Schepper,

Weer de wonden te genezen, de Horens, om te buigen,

En te laten vormen   tot de Oude  boodschappers   van een

Groot Rijk. Het Rijk God's, is voor iedere Ziel.

Maar Hier op Aarde, dragen wij onze Last,  En

hebben we de keuze, Om  tot God te gaan,

Niet door avond in overdag  te laten verlengen,

Ook  niet door een Dag eerder te verlaten,

Maar  door God in oprechtheid biddend  te vragen.

 

 

God waarom deze Last, Waarom deze Nood, God,

Waarom deze lijdensdood, U bent de Schepper,  Van al

het Leven, Het Leven, want Leven,

Brengt leven voort, Maar ik, Ik ziel, Ik draag alles,

Maar heb een wil, Tot Leven. Schep uw antwoord,

En draag haar op de vleugelen  van uw engelen,

Geef mij antwoord, Draag mij op,

Geen Zonde, Geen Leed, Geen Nood

Niet voor Anderen, Niet voor mezelf.

God, Neem over die Last, U met de sterke Schouders,

De Schouders  van gerechtigheid, van de Rechte wegen.

God, Draag mijn Pijn, God, U Als herder, zou de mijne moge

Zijn.  Dan komt een  klaaglijk geluid, Uit het Duister, Elk

antwoord van een zondaar, Elke vraag van een Belijdende,

Elke grimmigheid, krijgt haar antwoord,   door Vreesloos

lijden, van stemmen, stemmen die in

De Eeuwigheid weerklinken,

Een Stem, die  Zonden  van de wereld openbaart,

Die Leed, Pijn, Smart  van de Aarde,

In Last aan de Drager bewaart.

De wijsheid is haar Parel,

De deugd is haar gewin.

Toch de Ziel die haar draagt,

Weet nochtans niet haar Naam,

Haar Doel, en haar Zin.

Evenwel. Het is de Schepper,

Die beveelt  het Leven te geven.

Te geven  door deugdzaam en eervol te Leven.

Die beveelt om het Duister  in aanvaarding te ondergaan,

Om ten slotte het Duister, haar Stem in goedheid

Te bevragen, en te horen, Wat is haar Zin. Want

Zin, en Eeuwigheid, twee Woorden, Kort en

krachtig. Eeuwigheid, is een Zin,

Die duurt, en duurt, en haar Energie  in Momentum

Geeft, Maar de Zin, van mensen zonder streven,

Zonder warm medeleven, van anderen gekregen,

Of aan anderen  gegeven, Is soms, een  heilloos streven,

Soms ook een Last, Want zonder kleine  schat,

Van  grote Waarde, is het soms  moeillijk om

De vrede te bewaren. En dan, dan

Is de Schat, een gave om te geven,

Aan anderen die niets hebben  dan een

Kleine degen. Om  ook hen, te helpen,

Te vrijwaren  van grote grimmige baren,

Van  grote Duistere gebaren. Want er is

 

 

Er een, die zelfs de grootste grimmige man,

Nog het leven gunt, bij een klein helpende

Hand. Want God, ziet niet de grooten der  Aarde,

Maar de kleine van handen en gebaren, de Man,

De Vrouw, die Groot, te klein is om  zichzelf te

Bewaren. En zoekt een Grootheer om  zich in vrede

Te verlagen. Tot hulp aan dienaren   en  knechtjes,

En ook de laagste der grimmige baren, weet te

Vervullen tot een  vredige  zekerheid  van Heil en

Van Vrede, in Alles aan Goedheid verwant.

 

Een VoorSpel op EeuwigHeid,

Een BlijDicht  over Ontwikkeling

Een Bede Om Volgzaam Belijden.

 

Er is een kracht,

Een grote macht,

Een lichte zonnestand,

Een verstand in helderheid bedacht,

Een Antwoord, op alle Vragen,

Zelfs een nood voor alle noden.

Maar Elke gedachte,

Elke Daad,

Elke Vraag,

Elk gevoel,

Goed, Slecht, of neutraal,

Is slechts een  vlokje,

Als de sneeuw voor God's

Eigen Wezen,

Want Ergens, Is er een Zon,

Die Altijd Straalt,

Die de bevelen van de Schepper

Naar de Aarde zendt,

Die Wijsheid en Kunde,

Op Aarde laat landen, Met de

regen, en de Wind. Geen mens

die  dan kan zeggen, Ik heb het

niet in handen gehad,

Want slechts een  vraag, een nood,

Een noot naar God misschien,

Is genoeg, om een gave, of een talent

Te verkrijgen. En  zonde over de misdaad,

Om haar in onbruik te laten geraken,

Is slechts een  vlokje, In God's

Heilige Geest, Want met de Gave,

Komt de Heilige Dade,

En die Is soms, onbetekenend, Soms

Erg groot, of Erg  veel, Maar nooit,

Een schend  of een schaamte voor God's

Koninkrijk. Want de Zaak voor

Uw oog gesloten, en voor u Voortgebracht

Door Eigen Hand, met God's Heilige Gave,

Is een Zegen en een Open Boek, voor de

Mensen die ooit eens Later,

Misschien zoeken   naar de  kracht van God,

En dan vinden, een Zuiver Levenslot.

Dan breekt er een mooie dag aan,

 

 

En is alle Zonde verzwegen, van de tijd,

Dat Goden op Aarde leefden,

Zich voeden met de spijsolie van de Laatste dagen,

Zich dronken met de Mede van de Jongste Dag.

Dan Breekt aan de Bijzondere Dag,

Dat Alles ten dienste van Christus

Stralen Mag.

Een HekelDicht op Haten en Wrokken

 

Elke Hekel, Elke Wrok, Elke Kritische Noot, Een

Kleine Dood, Of een Grote toegedane Nood,

Een Verloren Tijd, Een Verspilde Moeite,

Een Verdane Daad, Een Tekort aan Erkenning,

Een gespeelde Herkenning.

Alles Een daad van te veel Moeite. Want

Oprecht, En zuiver, is er geen Zonde,

Is er geen Nood. Maar ook een  gedane  zonde,

Geeft een Keer, Geeft kans op wederkeer,

Ook Zonde op Zonde, met toegedane wonde,

Geeft ooit eens  een vraag, een opening om

Weer te mogen zijn, in het aanschijn van het

Oprechte handelen en daden beginnen.

Geen Nood  zo hoog, Geen Leed zo diep,

Dat God er geen straling van Lief en Zorg in

Kan Sturen. Het is aan de Mens om haar

Te ontvangen, en niet te minachten om haar

Te Gebruiken. Doet gij toch alsof u haar niet  kent.

Dan is het trouwens ook God, Die wacht, en wacht,

De zorg niet  afkeert, maar Is er Dood op Dood,

En dat te Vaak, Te Veel,  en te Onwaarachtig,

Dan  ook Wordt het een  lastige Zaak, Want de

Liefde, blijft zich geven,

Maar Menselijke liefde, gaat door Mensen heen,

En waar Mensen sterven, wordt de  Liefde gering.

Dus houdt ook elkaar Goed in Leven,

Zodat God's Liefde door de wereld gaat,

En Zorg en Borgd waar het nodig is.

Totdat ook De Heere Zelf, Een

Voetstuk heeft, Op Aard, en In de Hemel,

En zijn Eenige Wet, en Ware Zeegen,

Een Geloof  wordt tot Behoudt van

Lichaam en Leven.

 

Een Vrijdicht over Bevrijdend Leven

 

Een Geloof, Een Loofing van God

Een Prijzing, Een Psalmzing, Een

Vrolijke Bede,

Een Dankbare, Gegunde Vrijheid.

Een  Vrijwillig Leven,

Een  Leven  in Eerbied,  en Zegen,

Deugd en grote innerlijke Luister,

Zachte Liefde, stromend vanuit oude Bron,

Hartelijke oprechtheid, spontaan Gegeven,

Zoete Woorden, Bij een Welgedane Daad.

Alles Zonder Prijs, Want die is betaald door,

De Reine Zeden, Door de Schouwing zonder

Gedachten, Geleerd van de Enige,

De Ware, Trouwe Schepper-Vader.

Waar Is mijn Eer, Als er een vraag is van

Veel volk, om Meer. Waar is de Lust tot

Eigen plezier, Als er in de wereld geen nood is

Anders dan voor elkaars  brevier.

Waar is Mijn eigen zaak, Mijn eigen geding,

Mijn  rechtszaak, Mijn  Noodzaak.

Als De Rechter, Wel spreekt over mensen

Met  goed gedrag, en in oprechtheid zich

Spreken. Waar is Goed gedrag, als zelfs dat,

Ge-offerd wordt op de Aarden Altaren van

Gods Heilige Geest. Niet in Fysieke Dood,

Of geving  van Gezondheid, Maar in Woord en Daad,

Door God's voorbeeld te volgen, van

Zorg, van Liefde aan naasten, Van Bidden,

Van Geven van alle daden in God's hand,

Van Luisteren naar dingen, ogenschijnlijk

Onbelangrijk, in wetenschap er is er een, die mij

Erover   zal bevragen. Van Zwijgen,  tot toedoen van

Wellevend  gevend belijden. Waar is mijn Eer,

Als zelfs de Eer, In God's handen mag groeien

Tot een Eer van God's hand gekregen. Waar is

dan mijn Loon, Als God,

Haar mag geven, aan een arme, die

Zonder gebeden, te slecht heeft om

Te kunnen naderen tot God.

Waar is mijn rustplaats, Als mijn loon,

 

 

Tot betaling van rust, aan hen toekomt die Nooit

hebben  kunnen rusten. Die nu in vrede  Mogen

leven. Waar is mijn voedsel, als ik mij Vrijwillig

voedt met  het voedsel  der Aarde, zonder Om De

grote gaven van God te vragen.

Toch God is mijn Heer,  en geeft mij een plaats,

En te Meer, Hij geeft mij brood, hij geeft mij Huizing,

En geeft mij Arbeid. Althans, het was mijn eer,

Om het nederigste te vragen, Het was God's

Goede Geest,  die mij deed krijgen de Eer,

Om zijn naam verder te mogen dragen.

Het was zijn Geest, die mij deed spreken,

Over Daden, ooit begonnen, Ooit ontgonnen,

Nu in veelvoud doorgezet, opnieuw met een

Woord bevangen, door mijn Woord,

Een Woord, in zin van God's gebeden.

In eerbied voor de alouden,  die  ook over De

Heere spraken als een Oude Vader, Groot,

Waarachtig, Trouw, en Rechtvaardig. Elke

volgeling, elke gelovige, elke dienaar, Elke

engel of kind, dat in trouwheid komt bij

Schepper de Vader, mag weten, een plicht,

Komt   uit Jezelf, en de mensen om je heen,

Mogen  van je leren. Zijn je woorden, weinig,

Zijn je woorden veel, zijn je woorden tot spot,

Tot vermaak,   tot eer, of tot schande. Een kenmerk

Draagt haar brenger. Een kenmerk van liefde,

Liefde om het leed te dragen, liefde om de ander

Te verdragen. Te zien, te Horen, zonder oordeel om  te winnen

Een strijd die ooit gewonnen, nu verloren, door een

Zwakheid, die ogenschijnlijk Slap is. Maar genaamd wordt,

Een Zachtheid. Want Jezus Christus was Zacht,

Mozes  was Zacht, evenzovele andere dienaren, Waren  Zacht.

Toch geen dienaar, geen kind, geen engel, geen knecht zal

Ooit een zwaard of een steekwapen dragen, en zelfs niet

Bij dood een dode  in aanval bevragen.

Waar is dan alle dood,  als zelfs de religienood, Niets

anders lijkt dan een bepaalde geestelijke nood, Die

zonder oordeel zonder zin, blijkbaar toch aan de Liefde

wordt beschreven, die zonder doel zonder gave, Toch

aan de Heilige Geest wordt toegedacht.

Nee duidelijk in de Schrift, Er is geen Agressie,

Geen  Dooding, Geen  Verwonding. Want de Heere  zelf,

Kan  het aan je vragen.

 

Een  Zorgdicht over de Hulpverlening.

Een gedachte over de Schepper,

En de Vraag van een  sameritaan.

 

 

 

Waar is mijn  nood, Waar is mijn hulp.

Ik heb mijn cliente hier Verlaten,

Ik heb haar in handen  van een Goede Gast,

Een Zachte genezing toegewenst.

Ik heb haar een bede meegegeven,

Van Zachte Klimaat en Weer,

Van Goede Dagen en Krachten,

Stammend uit Weleer.

Waar is mijn cliente, als ik niet heb,

Kunnen Zien, Waar is haar goede Eer.

De Goede Gast, Was niet zo Goed,

Om haar van mijn Geld een kamer te Geven,

Om haar van mijn Geld een Maal te bereiden,

Ook geen kleeding, geen voeding, geen zegen,

Dit alles toch in dankbaarheid  van de

Sameritaan verkregen.

De Goede Gast, een Gulle Gever,

Gaf het aan Meisjes, Aan vrouwen

Die dansten zonder een  goede mede.

De Mede, was niet te vinden, in het

Huis van de Sameritaan, Maar de Gast,

Zag  toch de Mede, was bij de cliente

Als enige te bekrijgen, door haar

Te verkopen  en erover te zwijgen.

Waar is de Barmhartige Sameritaan,

Waas  is de Zorg aan zieken, zwakken, duisteren, en armen.

Waar is de Borg, voor de  zachten, de kwetsbaren, de

Verwonden, en de gebrokenen.

Waar is de Heiligmaking van de oprechten,

De hongerenden naar Gods  gulle daden.

Waar is die oude Sameritaan,

Die blijkbaar thuisgekomen een

Gesloten deur vond, en zelfs zijn kleine

Knecht,  mocht bogen op een nodiging

Tot Feest en tot Zonde-Offering.

Zelfs in onwijsheid mocht geloven, Dit

is het ultieme einde, de gave om Ten

beste de anderen te bevrijden. Maar de

Sameritaan. Weet nu,

 

 

Er is geen andere Eer, dan de cliente

Terug te kopen, en te blijven  zwijgen.

Over  het Huis, dat  tot God's Eer Bleef

verzwegen  over de duistere daden. Want

ook de leering van oude tijden, Was niet

meer als een  doos vol letters,

Te kort, te weinig te min, om  ook maar een mens

Te Bevrijden.

En de enkeling die zich wel bevrijdde,

Was dat niet  veeleer een last van niet

Te veel pijn en niet te veel zorg Om

te overlijden.

Welke mens werkt er nu voor goud,

Welke mens werkt er nu voor olie,

Als je weet, de olie, is al dagen  op,

Het goud, is al dagen verzwoegd voor

Barre tijden.

Welke man  van eer, werkt vandaag voor

De eer om Naasten te verlichten in hun nood.

Neen er is er bijna geen die werkt zonder loon,

Zonder eer.  Er is er geen die werkt om zelfs

Eerlijk  te belijden,  ik wil eer, ik wil loon,

Maar ook wil ik gods eer  najagen,  ook wil ik

Mijn  schroom mijn schaamte om me te binden,

Om mij te geven  voor God's zaak, en ook te zien

De lust, de gedachte, is er een, die bij God

Welbevrijdt, ogenschijnlijk een totale dwang  vereist.

Een minachting  van oude zeden, en zelfs de goede daden die er zijn,

Worden  betaald met de kracht van de verdrukking  van de

Zieken en zwakken.

Dus  waar is uw Heer,  Oh Wereld, Is zij de Ware Vader,

Of  zijn wij  slechts te Gast, om maar te zwijgen over

Wat we met uw Clienten doen, als we  het

Bruiloftsmaal mogen  geven.

Een  omkering vereist een bede, een bede,

Die door ieder persoonlijk gebracht, leidt tot Een

persoonlijk bevrijden. Ten dele als mens zich Dan

neigt tot het Zonde  en Zwakheid belijden. Ten

dele als de mens zich dan bezighoudt met

Het verrichten van de Daden in Christus naam,  en tot

Eer van God, en niet tot Eer van uw salaris of tot Eer

Van uw Goede  liefdadige naam.

En zoekt u iets, iets byzonders, iets schoons

Om een geliefde  te geven,

Geef dan uw naam, of haar aan God over te dragen,

Om zijn wellevende  daden,  in uw leven weer  te geven.

 

 

Een Treurdicht over het Leed,

Het verdriet, De nood

De Ellende der wereld.

 

 

Een heldere  noot,

Een vrolijk  gevoel,

Een kinderhand met liefde.

Een dag zonder wolk.

Een plicht, duidelijk en volkomen. Een

man van Eer, Een vrouw van Zorg. Een

leven in Eerbied geleefd.

Waar is deze,  de bron van allen

Die dit geloven. Dit leven.  Voorleven.

 

Waar is de Schepper, die

Vrucht elke dag opnieuw  aan de boom laat bloeien,

Die water,  rein,  en schoon,  vanuit  de hoge Bergen, In

het dorp laat uitvloeien om

Mensen en dieren,  te bevochtigen.

Regen  om het plantenrijk, Met

vreugde  te laten groeien. Waar

is de Schepper,

Die de mens, de vreugde  en het

Verlangen in zijn  hart geeft,

Om zijn  zaak,  te beslechten.

Om hout te hakken,

Om een akker in te zaaien.

Een Huis te bouwen met eigen  handen.

Tot zijn Eer.

Zonder een vloek over een splinter,

Opgeworpen uit het hout.

Zonder laster, over een jongen,

Die rust tijdens  de arbeid. Zonder

Verdriet over een meisje Dat de

Zorg ontvliet.

Zonder Wrok over de oudere

Die de plannen  wijzigt.

Zonder Vreze voor de regen

Die de planken  kromtrekt.

Waar is de Heere,  Onze Heere,

Die als een beschermende  hand,

Onze oogst laat drogen,

Tot het van de akker gemaaid  wordt.

Waar is de Heere,  Onze Heere,

Die als een onderwijzende hand,

Onze kinderen  van jongsaf, Buiten

ons oog,

 

 

De vreugde  oplegt, om elkaar  te beminnen

In liefde, en tederheid. Waar is de

Heere,  Onze Heere,  Die de

gaven rijkelijk deelt.

Die de plicht  vermenigvuldigt.

Zonder last, door ons gedragen.

Waar is de Heere,  Onze Heere,

Die onze dag, onze avond,

Met zonneschijn en avondrood  zegent. Onze

dag, met een verstild  genieten eindigt.

Onze morgen, met vrolijk  gezang en in dans begint.

Waar is de Heere,  Onze Heere,

Die ons leven,  van binnenuit

Bevochtigt met zijn  Heilig levenswater.

Waar is ons geloof,

Zo klein als een zaadje, nog kleiner  als Het

oog kan zien.  Die als men het plant,

Bevochtigt en beschermd,

Een boom laat groeien.

Die niet alleen  dit mogelijk maakt,

Maar ook de engelen  van de Hemel laat nestelen  in de takken.

Waar is de Heere,  Onze Heere,

Die onze dood, zelfs  in de grootste  nood,

Ons laat ontwijken, door een vertrouwen,

Een liefde  voor zijn Heilige grond.

Waar is mijn geloof,

Die berust op het verdragen  van de grootste  pijn,

De grootste  smart. Die zonder vergelijking, Mijn last

is om te dragen.

Dat geloof, dat Harten heelt,

Dat smarten verlicht.

En wonden geneest.

Is niet een teken van byzonderheid. Het is

een teken,  van Godsdienstigheid,

Gedragen  in het eigen  Hart.

Zonder voorkeur voor eigen eer,

Of afkeur van spot of lafheid van een daad gedaan  in verleden.

 

Een Dicht over Leed, en Pijn, Oprecht geleden,

De vraag over Waarom in mijn Leven,

Het Antwoord, dat Ik kan Geven.

 

 

 

Elke Dag, Elke Uur, Elke minuut,

Sterft er iemand  op Aarde,

Aan Leed, aan pijn, aan smart,

Toch geheel  zonder straf, en zonder zonde,

Gaat de Dader heen.

Toch geheel  zonder redding,  zonder overwinnaar gaat de

Slachtoffer ten einde.

Elke Dag, Elk Uur, Elke minuut,

Wordt er een kind geboren,

Zonder Oorzaak, Zonder grote gave.

Elke Dag, Elk Uur, Elke minuut, Gaat

er een Sterveling heen,

In vrede en in welbehagen.

Elke Dag, Elk Uur, Elke minuut,

Wordt er kind geboren,

In blijde   verwachting  voor

Een  liefdevol gebeuren.

Elke ochtend, is er een gelukkig zijn, zonder zorgen,

Elke Avond is er een vrede, en stilte tot de avond  gaat dralen.

De Ochtenden dat er geen vrede heerst, Dat

de woelige baren, de wieg overmanen,  De

storm  in aanstoot de voeding onthouden, Er

een  vrees  is van ouders, van kinderen, om

Ook maar iets te bemannen.

Is er een Leed, dat opklimt naar God.

Dan roept er een mens van de Aarde,

Waarom dit, Waarom dat, Waarom is er Leed,  Pijn en Verdriet.

De erfzonde, is toch een keuze  om uitgeboet te worden,

Waarom de zonde op een mens die geen slechtigheid wil kennen.

Waarom de zonde, op mensen die leed niet kunnen verdragen.

Waarom de zonde op mensen die de pijn, te veel,  te vaak,

Niet meer kunnen ondergaan.

Waarom  is er zonde op zonde,  van mensen die bodemloos

Hun  kracht toelaten in misdaad en ongeloof. Waar

is onze Heere, die de Harten ziet, en ze met Liefde

vervult voor heel de Aarde.

Waar is onze Heere,  die Geesten verlicht, en ze

Onderwijst in Leerende  gebaren.

Waar is mijn lust om God te zien dienen,

 

 

Door mensen, die zonder geluk, zonder plezier,

Hun hele leven aan hem willen wijden.

God waar bent u om mijn leed, mijn pijn, mijn ziel

Te verlichten, een regen, een sneeuwbuitje van malse vlokjes,

Waar  zijn zij als wij  als gehele Aarde, neerliggen in

Vrees, in Smart,  voor wat komen mag,

Zelfs onze naasten niet allemaal liefhebben,

Onze zonden niet kunnen weerhouden.

Waar is onze goede heilsdaad, om u te zoeken.

Als U onzichtbaar, en Verleden tijd, niet meer

Tot Heilssprekingen   in staat blijkt, voor ons

Een zoete verlangen, om  nog eens  uw woorden  te horen,

Van de aloude, profeten, zoon 'gods en ook de heiligen

Van de Laatste dagen.

Waar is U o Heere, Wij verlangen naar u.

De Leed, De Smart, De Pijn, Dit alles,

Een gift, dat geen sterveling wil dragen,

Mogen we bij U leggen  als Gift, Als Offerande.

Immers een kleine nood, een kleine vraag,

Wat  zullen wij  aan u Schenken, als we niets

Hebben dan onze zonde, onze pijn, ons leed,

En onze wonde. Zegt U wat is ons bezit, dat u wilt

Krijgen, om onze erfzonde, onze  last van ons te

Laten verdwijnen.

Of is er geen mens die ontsnapt aan de  leering van een

Rechte God, die de Mens Overheerst door Kracht en

Sterkte, U heeft beloofd, aan uw  zoon,

God is Liefde, en  zal de barmhartige geven,

Waar  is dan die liefde die we voor goud willen  kopen,

Waar  is dan die liefde, die we willen inwisselen voor

Ons eigen geloof, Waar is die liefde, die we zelfs in

Nederigheid willen aanvaarden. Willen Varen op de wilde baren

Om ook uw naasten te mogen balsemen met wijsheid,

Verkregen uit uw grote daden.

 

 

Een dichtsel   tot aan de schijnbare grens.

Een mooie Zon,

Een Blauwe Maan,

Een Gouden klok, Een

zilveren Schijnsel.

Een Verloren Schat.

Hervonden op de gronden van het leven.

Herboren vanuit de  grond van mijn wezen.

Een Schat voortbrengende  diep,

Vanuit mijn  Hart.

Een zin dat een vraag verblijdt. Een

antwoord  dat antwoorden   krijgt.   Een

kennis die kunde verbergt.

Een wijsheid die schoonheid verzwijgt.

Een schoonheid die zichtbaar is,

Met glans, maar zonder waarde.

Zonder waarde maar bevolen door het Goddelijk licht.

Zo zijn waarde herkrijgend.

Mag  zich kwijten  van een  grens die

Onverlegd,  uitmond in de grootste grenzeloosheid.

Maar zelf de grens, wijkt  het geen  hartezorg af.

Zelf de grens  draagt het de liefde voort.

Niet de liefde die tussen twee mensen bloeit,

Om elkaar te ontdekken.

Of schatten te vinden  die nooit gevonden

Leiden tot een overmoed aan heerszucht.

Ook geen daad die  anderen schendt.

Maar een  grens die  vanuit eigen  wezen,

Een liefde   en  geen  lust of last.

Geen zorg dan zorg voor naasten.

Geen hulp dat hulpeloosheid helpen.

Geen geld, dan vrijwillige  gave.

Geen  bevrijding anders dan

Gods  eigen  schenking  na overgave.

Geen kern, zonder leven

Is ooit ongeleefd gebleven  na een dood

Niet  in het lichaam tot in het graf, Maar

aan het kruis tot in het eeuwig leven. Met

Jezus Christus,

Blijft met leven,

Niet tot onsterfelijkheid, want leven  kent  zijn grens.

Niet tot Overheersing of talentvol gezag,

Want jezus,

In zijn eenvoud,

Geeft de eenvoud,

 

Die niet boogt op gedachten,

Die niet boogt op gevoelens,

Die boogt op gewaarzijn,

Het  Hart van Christus,

Zit in je zelf, een zijn in

Hier, nu, waar alles gebeurt.

Waar  alles doorleden wordt,

Waar je Christus leert kennen,

Als een  zachtmoedig man,

Die alles voor je verdraagt,

En ook je schulden belijdt en verboet.

Die ook je gebeden kracht bijzet en ze naar God  zendt.

Die vandaag de  dag,  leeft en zelfs je Hart verblijdt.

Elke dienaar van het woord. Getuigt.

Niet van Bloed, Niet van Scheiding.

Ook  niet van Ruzie of Oordeel.

Geen Lijden komt  er voort uit de mond   dat de  harten beslaat.

Geen Pijn brengt het voort,

Het aanvaard de  pijn,

Het aanvaard de  last die leven heet.

Het aanvaard de  spot, de leugen en de wrok.

Het zal niet sterven onder het juk dat de wereld hem oplegt.

Het zal niet  buigen, immers het is al gebogen

Onder God's heerlijke macht.

God die Schepper  heet, en ieder mens

Heeft geroepen en geschapen.

Ieder mens mag weten,

Als ik klaar ben,  mag ik bij hem komen.

Een enkel woord, een enkel gebaar is voldoende.

Om zijn leiding te ontvangen.

Die iedere nood verlicht,

En ieder duister  het daglicht geeft.

Ieder leed laat bloeien, zodat de bloemen die eruit voortkomen

Elke voorbijganger haar schoonheid  geeft.

En geplukt in volle blijdschap,

Zorgt zij voor een herinnering,

Aan de mens die zich   tot Jezus wendt.

En ook het leed, dat altijd blijft bestaan,

Zal een troost vinden in zo'n eenvoudige naam.